vrijdag 9 december 2016

Kerstboom


Buiten is het donker. De maan schijnt en de straatlantaarns zijn aan. Het is al bedtijd, maar Job en Jelle zijn nog wakker. Ze zijn op weg naar de grote kerstboom in de stad. Want vanavond gaan de lampjes aan.

‘Ik vind het wel een beetje spannend,’ zegt Job. ‘In het donker over straat.’ Job houdt de hand van papa stevig vast. Jelle zit in de kinderwagen. En mama duwt. Jelle kijkt met grote ogen om zich heen, hij is nog niet moe. ‘Daar is de kerstboom!’ juicht Jelle. Een grote boom is mooi verlicht door allemaal kleine lampjes. ‘Dat is geen kerstboom,’ zegt Job. ‘Dat is gewoon een boom met lampjes.’ Voor Jelle is het een kerstboom.

Onderweg komen ze heel veel verlichte bomen tegen. En achter de ramen van de huizen zien ze ook echte kerstbomen staan. Er is zelfs een huis met een verlichte arrenslee op het dak. Het ziet er erg mooi uit op straat. Job vindt het niet meer spannend in het donker. Hij huppelt vrolijk over de stoep. En Jelle klapt blij in zijn handjes als hij weer een kerstboom ziet. 

Al snel lopen ze de stad in. Het ruikt heerlijk als ze langs de oliebollenkraam lopen. ‘Mag ik een oliebol?’ vraagt Job. Maar Job mag geen oliebol. ‘Morgen zal ik oliebollen halen,’ zegt mama. Er staat een rij en mama wil niet te laat komen bij de kerstboomontsteking.

Het is een bijzondere avond. Er lopen veel mensen, de winkelstraten zijn mooi verlicht, er zijn gezellige kraampjes met lekker eten en er is kerstmuziek. Jelle zit in de kinderwagen en zijn oogjes vallen bijna dicht. Zou hij dan toch een beetje moe zijn? Maar dan zit hij ineens rechtop en roept enthousiast: ‘Kijk! Een trein!’ Het kersttreintje rijdt langs en Jelle zwaait vrolijk naar de mensen in het treintje. ‘Willen jullie ook in het treintje?’ vraagt papa. ‘Straks,’ antwoordt Job. ‘Ik wil eerst naar de grote kerstboom.’ ‘Ja! Naar de grote kerstboom!’ roept ook Jelle.
Dan zijn ze bij de grote kerstboom. Job en Jelle kijken omhoog. ‘Deze kerstboom is bijna net zo hoog als het stadhuis,’ zegt Job vol bewondering. De kerstboom is nog donker. ‘Waar zijn de lampjes?’ vraagt Jelle beteuterd. ‘De lampjes zitten in de kerstboom,’ antwoordt mama. ‘Maar we moeten nog even wachten totdat de lampjes aan gaan.’ Jelle vindt deze grote donkere kerstboom maar saai.

Job vindt het niet saai. Er worden kerstkoekjes uitgedeeld. En Job zingt zachtjes mee met de kerstliedjes die worden gezonden. Dan stopt de muziek en is het helemaal stil. Nu gaat het gebeuren. Alle mensen kijken naar de kerstboom en tellen af:  ‘Drie. Twee. Een. Wauw!’ De lampjes branden. Wat ziet dat er mooi uit! Job kan zijn ogen niet van de kerstboom afhouden. Hij ziet hele grote kerstballen, mooie slingers, kerststerren en helemaal bovenin het puntje ziet hij de piek. Het is prachtig.

En Jelle? Jelle ziet helemaal niets. Jelle is in slaap gevallen. Hij droomt over een mooi verlichte kerstboom. En van een ritje in het kersttreintje. 

vrijdag 25 november 2016

Sinterklaas


‘Kijk! De boot van Sinterklaas!’ roept Jelle blij. Hij zwaait enthousiast naar de boot die in de verte aan komt varen. Jelle zit op de schouders van mama. Er wachten heel veel mensen op Sinterklaas. En nu kan Jelle over alle mensen heen kijken. Job ziet de boot niet. ‘Til me op!’ roept Job en hij trekt ongeduldig aan de jas van  papa. ‘Ik wil Sinterklaas ook zien!’ Papa tilt Job op zijn schouders. Job tuurt over het water. En dan ziet hij in de verte de pakjesboot. ‘Maar ik zie Sinterklaas helemaal niet,’ zegt Job teleurgesteld. De boot is te ver weg. Job en Jelle moeten nog even wachten.

De pakjesboot komt steeds dichterbij. En dan zien ze Sinterklaas en de pieten op het dek staan. Job en Jelle zwaaien zo hard als ze kunnen. En Sinterklaas en de pieten zwaaien terug. Job en Jelle voelen kriebels in hun buik.  ‘Mag ik Sinterklaas een handje geven?’ vraagt Jelle aan mama. ‘Als Sinterklaas langs loopt dan kan je hem misschien wel een handje geven,’ antwoordt mama. ‘Krijgen we ook pepernoten? vraagt Job aan papa. ‘Dat zullen we zo zien,’ zegt papa. ‘Kijk, ze zijn al uit de boot gestapt.’ Daar lopen Sinterklaas en de pieten. ‘Zet me maar weer op de grond,’ zegt Job. Papa tilt Job van zijn schouders. En Job kruipt tussen alle mensen door naar voren. Hij gaat op zoek naar pepernoten.

Jelle zwaait vrolijk naar Sinterklaas.  Maar dan is Sinterklaas ineens heel erg dichtbij. Mama tilt Jelle van haar schouders en zet hem op de grond. Vlak voor Sinterklaas. Jelle zwaait niet meer. En hij durft ook niet meer naar Sinterklaas te kijken. Sinterklaas strekt zijn arm uit om Jelle een handje te geven. Maar Jelle durft niet. Hij draait zich om en kruipt weg in de armen van mama. Sinterklaas een handje geven is toch een beetje eng. Sinterklaas zegt: ‘Piet, geef deze kleine vriend maar wat pepernoten’ En Piet stopt pepernoten in het handje van Jelle. Dat lust Jelle wel.

Dan komt Job aangerend en roept: ‘Kijk eens hoeveel pepernoten ik al heb gehad!’ Job zijn zakken zitten vol met pepernoten. Maar Job wil nog meer pepernoten. Als hij nog een piet ziet rent hij erop af. Maar Job kijkt niet goed uit. BOEM! Ineens zit Job op zijn billen. Job is heel hard tegen Sinterklaas aan gerend. Job schrikt.  Zou Sinterklaas boos zijn? Maar Sinterklaas lacht vriendelijk. Dan pakt Sinterklaas de hand van Job en helpt hem opstaan. Job glundert. Hij heeft Sinterklaas een hand gegeven!

Als ze later naar huis lopen vraagt papa: ‘Wat vonden jullie van de intocht? ‘Leuk!’ juichen de broertjes. ‘Want ik heb Sinterklaas een hand gegeven!’ zegt Job trots. En Jelle roept blij: ‘Sinterklaas is heel lief. En hij is mijn vriend!’

vrijdag 11 november 2016

Jarig


Jarig

‘Hieperdepiep hoera!’ roepen papa en mama vrolijk. Job en Jelle lopen voorzichtig de trap af. Ze zien dat de kamer is versierd met ballonnen en slingers. En papa en mama staan onderaan de trap met kadootjes. Vandaag is Job jarig. Job vindt jarig zijn best spannend. Hij blijft op de trap zitten. Jelle loopt blij de trap af en vraagt: ‘Ben ik jarig?’

‘Nee kleine jongen,’ antwoordt mama, ‘vandaag is je grote broer jarig.’ Jelle luistert niet naar mama en pakt nieuwsgierig een kadootje. Papa zegt tegen Job: ‘Kom maar naar beneden. We hebben kadootjes voor onze jarige Job!’ Papa heeft een heel groot kado in zijn handen. Wat zou daar in zitten?  Job is erg benieuwd naar zijn kadootjes en loopt snel de trap af.  

‘Jelle, geef je dat kadootje aan je broer?’ vraagt mama. ‘Ik ben toch jarige Jelle!’ zegt Jelle met een lief stemmetje. Jelle houdt het kadootje stevig vast. ‘Jij bent geen jarige Jelle,’ zegt Job. ‘Ik ben jarige Job!’ Job pakt het kadootje uit de handjes van Jelle. Jelle huilt. Jelle wil ook een kadootje. ‘Mag Jelle je helpen met uitpakken?’ vraagt mama aan Job. Job kijkt naar het grote kado in de handen van papa. Hij kan wel wat hulp gebruiken bij het uitpakken van zo’n groot kado. ‘Zullen we samen het grote kado uitpakken?’ vraagt Job aan zijn broertje.  Dat wil Jelle wel!

Papa legt het grote kado in de kamer. Job en Jelle scheuren het mooi gekleurde kadopapier los. Het is best spannend om kadootjes uit te pakken. Wat zit er toch in? Dan zien ze het! ‘Een racebaan!’ juicht Job enthousiast. Jelle springt op en neer en roept: ‘Jippie! Een racebaan!’ Job kijkt aandachtig naar zijn nieuwe racebaan. Deze racebaan wilde hij heel graag hebben. Maar Jelle is al weg om het volgende kado te halen.

Job en Jelle pakken samen alle kadootjes uit. Job is erg blij met zijn nieuwe speelgoed. En Jelle is blij dat hij het speelgoed mocht uitpakken. Jelle vindt het uitpakken van kadootjes het aller leukst.

Dan pakt mama een verjaardagshoedje. ‘Een mooi hoedje voor onze jarige Job,’ zegt mama. Maar Job wil geen hoedje op. ‘Ik ben te groot voor een hoedje,’ zegt Job. ‘Geef dat hoedje maar aan Jelle.’  Jelle straalt van geluk. Mag hij die mooie verjaardagshoed echt op?

Jelle gaat op de versierde verjaardagstoel zitten. En Job zet de verjaardagshoed op Jelle zijn hoofd. En mama lacht: ‘Nu lijkt het wel  een jarige Job én een jarige Jelle!’

vrijdag 28 oktober 2016

Kabouters


Het is herfst. Het bos ziet er mooi uit. De blaadjes aan de bomen zijn rood en geel. Job en Jelle lopen over het bospad. Papa en mama lopen ook over het bospad. ‘Kijk, een eikel!’ zegt Jelle en hij pakt het van de grond. ‘Dat is geen eikel,’ zegt Job, ‘dat is een dennenappel.’ Jelle kijkt nog eens goed en zegt: ‘Mama, dit is toch een eikel?’

‘Dat is een dennenappel,’ antwoordt mama. ‘Verderop staat een eikenboom. Kom maar mee, dan laat ik je zien wat een eikel is.’ Onder de eikenboom liggen allemaal kleine nootjes met een hoedje op. ‘Dit zijn eikeltjes!’ roept Job enthousiast. ‘En weet je ook door wie de eikeltjes gegeten worden?’ vraagt papa. Job denkt even na en dan weet hij het: ‘Eekhoorntjes!’ Jelle denkt ook na en roept dan: ‘Kaboutertjes!’

‘Haha, kabouters bestaan niet,’ lacht Job. Maar Jelle weet zeker dat er kabouters in het bos wonen. ‘Kabouters wonen in de paddenstoelen,’ zegt Jelle. ‘Niet waar,’ zegt Job. ‘Wel waar!’ roept Jelle boos. ‘Geen ruzie maken,’ zegt mama. ‘Laten we de paddenstoelen gaan zoeken. Dan kijken we of er kaboutertjes in wonen.’ Dat is een goed idee.

De jongens gaan van het bospad af. Ze klauteren over takken en rennen over het mos. Dan schreeuwt Job: ‘Ik heb ze gevonden!’ ‘Ja! Kabouters!’ roept Jelle blij. ‘Nee gekkie, de paddenstoelen!’ lacht Job. Job heeft een groepje paddenstoelen gevonden. Papa en mama komen ook kijken.  ‘Ik zie geen deurtje,’ zegt papa, ‘en ook geen ramen.’ En mama zegt: ‘Hier wonen geen kaboutertjes.’

Jelle kijkt verdrietig. Maar dan zegt hij: ‘Deze paddenstoelen zijn niet rood. En ze hebben geen witte stippen. Dit is geen kabouterhuisje.’ ‘Dan zoeken we verder,’ zegt Job. Job vindt paddenstoelen zoeken wel een leuk spelletjes. Ze zoeken overal. Achter de bomen, onder de takken, tussen de stuiken. Job klimt zelfs in de bomen. En Jelle graaft in het zand. Maar rood met witte paddenstoelen vinden ze niet. De kabouterhuisjes zijn goed verstopt.

Dan moet Job plassen. Hij loopt naar een dicht begroeid plekje waar niemand hem kan zien.  Verscholen achter de boom ziet Job een paddenstoel. De paddenstoel is rood met witte stippen. ‘Kom snel hier!’ schreeuwt Job uitbundig. Papa, mama en Jelle komen snel kijken.

‘Ja! Kabouters!’ juicht Jelle als hij de rood met witte paddenstoel ziet. Maar ook deze paddenstoel heeft geen deurtje. En ook geen raampjes. ‘Hier wonen ook geen kabouters,’ zegt papa. ‘Ik denk dat kabouters niet bestaan,’ zegt mama. Mama knuffelt Jelle. En Jelle fluistert zachtjes in haar oor: ‘Ik denk het ook niet.’ ‘Ik zei het toch!’ zegt Job, 'kabouters bestaan niet. Maar de volgende keer gaan we weer kabouters zoeken. Want kabouters zoeken was super leuk!’  


vrijdag 14 oktober 2016

Hut

Achter het huis van Job en Jelle is een speeltuin. Het is daar erg leuk. Er staat een schommel, een wip en een glijbaan. Maar het leukste zijn de bomen en de struiken achter de speeltuin. Want daar is de hut van Job en Jelle!

Job is hoog in de boom geklommen. ‘Kijk eens hoe hoog ik ben,’ roept Job naar beneden. Jelle kijkt omhoog. ‘Ik ben nog hoger dan de schommel!’ roept Job uit. Jelle kan niet in de boom klimmen. Hij is nog te klein. Jelle zit op een grote tak onder de boom. Samen met Aap. Ze spelen in de hut.

Jelle pakt een blaadje van de grond zegt tegen Aap: ‘Deze limonade is voor jou.’ Jelle doet net alsof het blaadje een beker limonade is. Dan geeft Jelle een takje aan Aap. ‘Je mag er ook een koekje bij,’ zegt Jelle. ‘Job, wil jij ook wat drinken?’ roept Jelle naar boven. Maar Job heeft geen tijd om te drinken. Job ziet gevaar! En hij roept: ‘Pas op, we hebben een indringer in onze hut!’ Jelle weet niet wat een indringer is. Maar het klinkt gevaarlijk. Snel pakt Jelle zijn aap en drukt hem stevig tegen zich aan.

‘Kijk, hier zit hij!’ zegt Job. Job wijst naar een grote spin. De spin zit tussen de takken van de boom. Job is bang voor spinnen. ‘Wil jij deze indringer weg halen?’ vraagt Job aan zijn broertje. Jelle is niet bang voor spinnen. Maar de spin zit te hoog. Jelle kan er niet bij. Dus roept Job: ‘Mama! Help!’

Mama loopt naar de hut. Daar ziet ze Job hoog in de boom zitten. ‘Job, kom eens heel snel naar beneden!’ zegt mama streng. ‘Dat is veel te gevaarlijk. En zo maak je de boom kapot.’ Job klimt voorzichtig uit de boom. ‘Maar die spin zit ook heel hoog. En die moet weg!’ zegt job. ‘Laat die spin maar rustig zitten.’ zegt mama. ‘De spin woont ook in jullie hut. Jullie hebben een huisdier.’

Job vindt een huisdier wel gezellig. De spin mag in de hut wonen. ‘We hebben geen huisdier maar een hutdier,’ zegt Job. De spin woont boven in de hut. En Job blijft beneden. Want zo’n hutdier is wel een beetje eng.

‘Wil je limonade?’ vraagt Jelle aan mama. Jelle geeft een mooi blad aan mama. ‘Wat, lekker!’ zegt mama. ‘Maar zullen we thuis echte limonade gaan drinken?’ ‘Ja! Met een koekje erbij,’ roept Jelle.

Thuis drinken Job en Jelle limonade. Ineens ziet Job iets over de muur lopen. ‘Kijk mama, een spin!’ roept Job. ‘Getsie!’ zegt mama. ‘Ik wil geen spin in huis. Waar zit dat beest?’ De spin is snel achter de bank gekropen. En Job zegt: ‘Laat de spin maar rustig zitten. Deze spin woont bij ons in huis. Nu hebben we een huisdier én een hutdier!’

Maar vindt mama een spin als huisdier ook gezellig?

zaterdag 8 oktober 2016

Appels


Job en Jelle zijn in de boomgaard. Vandaag mogen ze appels plukken. Met een mandje lopen ze langs lange rijen appelbomen. De appels zien er lekker uit. Job wijst naar een boom vol met mooie rode appels en vraagt:  ‘Mag ik uit deze boom een appel plukken?’ Dat mag! Job loopt naar de boom en plukt een grote appel. Dan stopt hij de appel in het mandje.

Jelle wil ook een appel plukken. Hij kiest een mooie groene appel uit. Jelle trekt aan de appel. Maar de appel zit stevig vast aan de boom. ‘Laat mij die appel maar plukken,’ zegt Job tegen zijn broertje. ‘Jij bent nog niet sterk genoeg.’ Job trekt aan de appel. Maar de appel zit echt goed vast. Job kan de appel ook niet plukken.

‘Die appel is nog niet rijp,’ zegt mama. ‘Een appel die nog niet rijp is zit heel goed vast. Je kan ze pas plukken als ze rijp zijn. Of ze vallen vanzelf op de grond,’ legt mama uit. Jelle ziet onder de boom veel appels liggen. Hij raapt de appels op en stopt ze in het mandje.

Job plukt de rijpe appels uit de boom. En Jelle raapt alle appels van de grond. Al snel zit het mandje helemaal vol. Van al dat plukken en rapen hebben ze trek gekregen. ‘Willen jullie een appel proeven?’ vraagt mama. Dat willen de jongens wel. ‘Ik wil een rode appel,’ zegt Job en hij pakt een rode appel uit het mandje. Jelle vindt groene appels lekker. En hij kiest een mooie groene appel uit.

De appels zijn heerlijk. Job heeft zijn appel opgegeten. Alleen het klokhuis is nog over. Jelle heeft zijn appel ook opgegeten. Maar waar is het klokhuis gebleven?

‘Jelle, waar is jouw klokhuis?’ vraagt Job. ‘In mijn mond,’ antwoordt Jelle met volle mond. Jelle doet zijn mond wijd open. Job ziet het klokhuis in zijn mond zitten. ‘O nee! Je hebt de pitjes opgegeten!’ roept Job verschrikt. ‘Dan groeit er een appelboom in je buik!’ Jelle spuugt de appel snel uit. Maar het is al te laat, de pitjes zitten al in zijn buikje. Jelle huilt: ‘Ik wil geen appelboom in mijn buik.’

‘Het pitje heeft aarde, water en zon nodig om te kunnen groeien,’ zegt mama, ‘in jouw buikje groeit geen appelboom.’ Gelukkig maar. Jelle veegt zijn tranen weg. ‘Wat gebeurt er dan met het pitje?’ wil Job weten. ‘Morgen poept Jelle het pitje weer uit,’ antwoordt mama. Dat is grappig. En Job lacht:  ‘Haha, Jelle poept pitjes!’ Jelle vindt het niet erg om pitjes te poepen. Hij lust nog wel een appel. Met pitjes.

donderdag 6 oktober 2016

Circus


Het circus is in de stad! De voorstelling begint bijna dus Job fietst zo hard als hij kan. Jelle zit bij papa achterop de fiets en zingt vrolijk: ‘Wij gaan naar het circus, het circus, het circus!’ Ze zijn er bijna. ‘Ik zie de circustent!’ roept Job enthousiast. En Job fietst nog harder. ‘Het circus!’ roept ook Jelle. En Jelle zingt nog harder.

Dan zijn ze bij het circus. Papa koopt drie kaartjes bij de kassa. Een kaartje voor Job. Een kaartje voor Jelle. En een kaartje voor papa. Job pakt zijn kaartje en huppelt naar de circustent. Jelle pakt de hand van papa vast. Jelle vindt het circus best wel spannend.

De circustent is groot en binnen is het donker. Job zit naast papa op de tribune. En Jelle is bij papa op schoot gekropen. Dan gaat de muziek aan. En gekleurde lichten flitsen door de tent. Jelle schrikt en kruipt weg in de armen van papa. De show begint. Vol bewondering kijken Job en Jelle naar de circuspiste.

De circusdieren doen moeilijke kunstjes. Iedereen lacht om de grappige clowntjes. Acrobaten zwaaien aan de trapeze. De jongleurs gooien en vangen wel 10 ballen tegelijk en er is een vuurspuwer! Het is een geweldige show.

‘Als ik groot ben ga ik bij het circus,’ zegt Job als ze weer thuis zijn. ‘Dan word ik vuurspuwer!’ Job vindt vuurspuwen super stoer. ‘Dat is veel te gevaarlijk,’ zegt papa, ‘dan kun je beter jongleur worden.' 'Mag ik dan ook bij het circus?’ vraagt Jelle. ‘Ja hoor, dan ben jij een clowntje,’ antwoordt Job. Maar dat wil Jelle niet. ‘Ik wil met de hondjes spelen,’ zegt Jelle.  Circushondjes zijn lief en heel goed in kunstjes.

‘Kom mee, dan gaan we oefenen,’ zegt Job tegen zijn broertje. Even later spelen Job en Jelle circusje met de knuffels van Jelle. Net als de circushondjes doen de knuffels de moeilijkste kunstjes. Jelle gooit zijn knuffel konijn hoog in de lucht. ‘Konijn maakt een salto!’ roept Jelle enthousiast. ‘Ik ben jongleur,’ zegt Job. Hij gooit drie knuffels tegelijk in de lucht. Hij probeert de knuffels te vangen. Maar de knuffels vallen op de grond. Jelle vindt de vliegende knuffels leuk. ‘Nog een keer!’ juicht Jelle. Job gooit de knuffels nog een keer in de lucht. Nu vangt Job één knuffel en Jelle juicht: ‘Goed zo!’ Maar Job wil alle knuffels vangen. Hij probeert het nog een keer. De knuffels vliegen weer door de lucht. Maar het lukt Job niet om alle knuffels te vangen.

‘Dit is te moeilijk,’ zegt Job na heel veel oefenen. ‘Ik kan beter vuurspuwer worden!’