zondag 4 augustus 2019

Koekjes

Jammie! Job en Jelle mogen koekjes bakken. In de keuken heeft papa de oven al aangezet. ‘Vandaag maken we zandkoekjes,’ zegt papa. De broertjes trekken een vies gezicht. ‘We zouden toch echte koekjes bakken?’ vraagt Job. En Jelle zegt: ‘Ik lust geen koekjes van zand.’ Papa lacht. ‘Het zijn ook echte koekjes,’ legt hij uit, ‘maar ze heten zandkoekjes.’ Hij laat het pak met de koekjesmix zien. Er staan koekjes op in verschillende vormen. Die lusten de jongens wel!

Ze gaan aan de slag. De boter, een ei en de koekjesmix gaan in een grote kom. Dat moeten ze tot deeg kneden. Papa pakt de mixer. Job staat op een kruk om alles goed te kunnen zien. ‘Ik wil ook kijken,’ roept Jelle. Papa tilt Jelle op en zet hem naast de kom op het aanrecht. ‘Kunnen jullie het goed zien?’ vraagt papa. Dan gaat de mixer aan. Job en Jelle schrikken zich een hoedje. De koekjesmix stuift omhoog en de mixer maakt een hoop herrie. Snel zet papa de mixer uit. ‘Dit gaan we anders doen,’ besluit papa, ‘die deeg maken we wel met onze handen.’  Job en Jelle wassen hun handen en beginnen te kneden in de kom. Dat voelt best gek.  

Na een tijdje kneden wordt het al echt deeg. ‘Dit ziet er goed uit,’ zegt papa. ‘We kunnen er nu koekjes van maken.’ Job haalt zijn handen uit de kom. Wat is dat nou? De deeg blijft aan zijn handen plakken. ‘Het zit helemaal tussen mijn vingers,’ jammert Job. Papa haalt het deeg van Job zijn handen maar helemaal schoon wordt het niet. Job trekt weer een vies gezicht. ‘Daar hoef je niet zo vies bij te kijken,’ zegt papa. ‘Proef maar eens.’ Job stopt een vinger in zijn mond. ‘Mmm, dit is lekker!’ roept hij. Dat wil Jelle ook wel proeven. Hij stopt een stuk deeg in zijn mond. ‘Oh, dat mag niet,’ zegt Job streng. ‘Je mag alleen je vingers aflikken.’ Jelle kijkt naar zijn vingers vol met deeg. Dat ziet er lekker uit. Voordat Jelle een grote hap kan nemen haalt papa het deeg snel van zijn handen af.    

Job en Jelle likken hun handen helemaal schoon. Dat was smullen. Ondertussen heeft papa de vormpjes klaargelegd en het deeg uitgerold.  Job en Jelle krijgen alle twee een stuk. Job pakt een vormpje en snijdt een ster uit het deeg. De ster legt hij op de bakplaat. Dan maakt hij een hartje, een vlinder, een maan en nog veel meer. De bakplaat is al snel vol. Papa zet hem in de oven.

Jelle speelt met het deeg, koekjes maken lukt nog niet zo goed. Stiekem stop hij telkens een stukje deeg in zijn mond. ´Zal ik je helpen?’ vraagt Job. Jelle knikt met volle mond. Samen maken ze de koekjes. Dan is het deeg op, maar de bakplaat is nog lang niet vol. ‘Wat gek,’ zegt papa. ‘Ik heb jullie toch evenveel deeg gegeven.’ Papa heeft niet gezien dat Jelle van het deeg heeft gesnoept.

‘Mijn koekjes zijn klaar,’ juicht Job al hij de oven hoort piepen. Het ruikt heerlijk! Maar als de oven open gaat kan Job wel huilen. Er zijn geen vormpjes meer te zien, het is een grote koek geworden.  ‘Ai, dat is niet goed gegaan,’ zegt papa. ‘maar ze smaken vast heerlijk.’ Jaloers kijkt Job naar de koekjes van Jelle. Op die plaat is zoveel plek over, dat kan niet mis gaan. Dan zegt Jelle heel lief:  ‘Je mag mijn koekjes wel hebben, ik heb een beetje buikpuin.´ Zou Jelle te veel deeg hebben gesnoept?



woensdag 17 juli 2019

Fietsen


Job heeft een nieuwe fiets. Een echte grote jongens fiets. Eerst had hij een kleine jongensfiets. Job kan daar al heel goed op fietsen, zonder zijwieltjes. Die fiets is nu voor Jelle. Jelle kan nog niet fietsen, dat moet hij nog leren. Papa heeft de zijwieltjes uit de schuur gehaald en aan de fiets vastgezet. Om te oefenen gaan de broertjes samen met papa naar het pleintje om de hoek. Job loopt trots met zijn grote fiets aan de hand. En Jelle zit heel stoer op zijn fietsje. Papa duwt hem, want trappen kan Jelle nog niet.

Dan zijn ze bij het pleintje. Job probeert op te stappen maar de fiets is veel te hoog. ‘Papa, het lukt niet!’ roept Job, ´Deze fiets is veel te hoog.´ Papa laat Jelle los en loopt naar Job. ‘Je benen zijn lang genoeg,´ zegt papa, ´Ik hou je fiets wel vast.’ Job probeert het nog een keer. Hij tilt zijn been zo hoog op als hij kan, maar het lukt echt niet. ‘Die stang zit in de weg,’ moppert Job. ‘Die stang hoort bij een grote jongensfiets’, legt papa uit, ‘Je moet je been nu over het zadel heen zwaaien om op te kunnen stappen.’ Papa houdt de fiets een beetje schuin en Job zwaait zijn been over het zadel. Het lukt! Job zit op de grote fiets. Hij kan nog net met zijn tenen bij de grond.



‘Fietsen maar!’ zegt papa en hij laat de fiets los. ‘Niet loslaten!’ roept Job uit. Hij kan al fietsen maar op deze grote fiets is het best een beetje eng. Papa kijkt even naar Jelle. Jelle zit op zijn fiets, nog altijd op dezelfde plek. ‘Jelle, probeer zelf maar te trappen,’ zegt papa. Jelle schudt zijn hoofd en zegt: ‘Ik kan nog niet trappen, jij moet me duwen.’ Jelle moet heel even wachten. ‘Ik help Job even en daarna kom ik jou helpen,’ zegt papa. Papa duwt Job en rent een stukje mee. Job trapt en trapt en de fiets gaat veel te snel voor papa. Dan laat papa los en Job roept blij: ‘Ik fiets!’

Papa loopt terug om Jelle te helpen. Jelle klapt in zijn handen en roept: ‘Goed zo, Job!’ Dan horen ze Job gillen. ‘Help! Help!’ Job fietst door de bocht en slingert heen en weer. Hij probeert te remmen door zijn voeten op de grond te zetten maar de fiets is te hoog. Papa rent naar Job toe en roept: ‘Trap achteruit!’ Job houdt zijn stuur stevig vast en zet zijn voeten op de trappers. Dan trapt hij achteruit. Gelukkig! De fietst stopt en Job kan afstappen. Maar Job vergeet dat hij zijn been over zijn zadel moet zwaaien en stoot zijn been tegen de stang. De fiets valt en Job valt ook. Job huilt. Papa is snel bij hem en helpt Job en de fiets overeind. ‘Het fietsen gaat goed maar zullen we samen nog even oefenen met opstappen en afstappen?’ Job knikt en veegt zijn tranen weg. ‘En ook met de bochten.’



Job oefent op de grote fietst. Papa helpt net zolang met opstappen, afstappen en de bochten tot het helemaal zelf lukt. Trots fietst Job rondjes op zijn grote fiets. Nu kan papa Jelle leren fietsen. Maar waar is Jelle? Jelle en zijn fiets staan niet meer op de plek waar ze net stonden. Papa kijkt het pleintje rond en ziet nog net een stukje van de fiets achter het speelhuisje. Het duurde zo lang dat Jelle maar in het huisje is gaan spelen. ‘Jelle is met zijn fiets naar het huisje gelopen,’ zegt Job. ‘Kom Jelle, dan leer ik je fietsen,’ roept papa. ‘Ik kan al fietsen!’ roept Jelle terug vanuit het huisje. ‘Ik ben toch hierheen gefietst!’ Dat willen papa en Job wel eens zien.


Ja hoor! Jelle kan echt fietsen. Stoer fietst Jelle een rondje op zijn fiets en Job fietst trots achter hem aan. 




maandag 1 juli 2019

Brandweer


`Taatuu taatuu!` Jelle rijdt met zijn brandweerauto door de kamer. Met hoge snelheid komt hij de bocht om. ´Waar is de brand?’ vraagt Job. Jelle kijkt om zich heen. ‘Daar! Bij de open haard,’ roept hij, ‘snel eropaf!’  Jelle scheurt met zijn brandweerauto naar de brand. ‘Taatuu taatuu!’ roept hij nu nog harder. Vlak voor de open haard staat een lange file. De autootjes van Job staan keurig in een rij. ‘Stop!’ roept Job. ‘Kijk uit voor mijn auto’s!’ De brandweerauto stopt, hij kan niet verder. ‘Zo kan ik de brand niet blussen,’ zegt Jelle beteuterd. Job kijkt naar de grote rode brandweerauto. ‘Je kan de ladder toch gebruiken,’ stelt hij voor. Job trekt de ladder van de brandweerauto zo ver mogelijk uit, maar de ladder is niet lang genoeg. ‘De brand is veel te ver weg,’ zegt Jelle, ‘Hoe kan ik de brand nou blussen?’

Job en Jelle denken even na. ‘Ik weet het,’ zegt Jelle, ‘Mijn brandweerauto kan over de auto’s vliegen!’ Hij wil zijn brandweerauto al optillen maar Job houdt hem tegen. ‘Vliegende brandweerauto’s bestaan niet,’ zegt Job. ‘Ik rij mijn auto’s wel weg. Het is toch veel te gevaarlijk zo dicht bij de brand.’ Job pakt het voorste autootje en rijdt hem naar de andere kant van de kamer. Dan komt hij  terug voor de volgende auto. Jelle helpt mee. Eén voor één rijden ze de auto’s weg. Na een tijdje is de file verplaatst en kan de brandweer de brand blussen.

De auto’s van Job zijn niet meer in gevaar voor de brand. Op veilige afstand staan ze netjes in een rij. Jelle is druk bezig met het blussen van het vuur. Job wil ook wel iets spannends doen, maar hij heeft geen brandweerauto. Dan bedenkt hij iets! ‘Dit is een racebaan,’ zegt Job, ‘Vandaag is de superspannende racewedstrijd.’ Job pakt het voorste autootje. Geconcentreerd rijdt hij het autootje naar de start. ‘Klaar voor de start….. AF!’ roept Job en hij laat het autootje door de kamer racen. ‘Die kwam ver!’ juicht Job. Dan pakt hij het volgende autootje. Die auto komt net iets verder en ligt nu op kop. Bij de start staat alweer een auto.  Maar ondertussen is Jelle klaar met het blussen van de brand. Het vuur is uit en de ladder is binnen gehaald. Rustig en zonder sirene rijdt de brandweerauto verder. Jelle heeft niet door dat de kamer is veranderd in een racebaan. Precies op het moment dat de brandweerauto midden op de racebaan staat komt er een auto aan gevlogen. ‘Pas op!’ roept Job maar het is al te laat. Met een vaart rijdt het autootje tegen de brandweerauto aan. Het autootjes vliegt door de lucht en komt op ondersteboven op de grond terecht.

Van schrik slaat Jelle zijn handen voor zijn ogen. ‘Jelle, wat doe je nou?’ vraagt Job. ‘Je bent de brandweer! Je moet de raceauto helpen.` Jelle wist niet dat de brandweer veel meer doet dan branden blussen, ze helpen iedereen in nood. Snel pakt Jelle de brandweerauto en rijdt naar de raceauto. ´Taatuu Taatuu!.´ Met een gek stemmetje roept Job: ‘Help! Ik ben over de kop gevlogen.’ Jelle kijkt verbaasd. ‘Kan een auto wel vliegen?’ Job knikt. ‘Alleen als je echt heel erg hard gaat.’ Voorzichtig zet Jelle de racewagen weer op zijn wielen en denkt: Gelukkig heb ik een brandweerauto, racen is veel te gevaarlijk.’ 


dinsdag 18 juni 2019

Takkie


‘Ik zie hem niet,’ zegt Job beteuterd. Job en Jelle turen in de glazen pot. Voorzichtig draait Job de pot rond, zo kunnen de broertjes de andere kant goed zien. In de pot zitten takjes en bladeren van de klimop. Ergens tussen die bladeren moet Takkie zitten. Takkie is een wandelende tak. Job heeft hem gisteren van school meegekregen. Het lijkt op een echte tak, daarom zie je hem niet zo goed tussen de takken van de klimop. ‘Waar zit hij toch?’ vraagt Jelle. Job kijkt nog eens goed tussen alle bladeren en antwoordt: ‘Takkie is weg gelopen. Hij zit echt niet meer in de pot.’ Jelle schrikt. ‘Kan een tak weglopen?’ ‘Natuurlijk, het is toch een wandelende tak,’ antwoordt Job. ‘Kijk, er zitten gaatjes aan de bovenkant voor de frisse lucht. Takkie is nog zo klein, hij is er vast doorheen gekropen.’ Snel kijkt Job om zich heen. ‘We moeten hem zoeken!’


‘Takkie! Takkie!’ roepen de boertjes. Job en Jelle kijken overal maar de wandelende tak zien ze nergens. ‘Wie zoeken jullie?’ vraagt papa als hij de kamer binnen komt. ‘Takkie. We zijn Takkie kwijt!’ antwoordt Job. ‘Wie is Takkie?’ vraagt papa verbaasd. ‘De wandelende tak,’ zucht Job. ‘Weet je dat niet? ‘ ‘Oh, ik wist niet dat die tak een naam had,’ zegt papa. ‘We moeten hem vinden,’ zegt Jelle. ‘Takkie is nog maar een baby tak.’ Dan moet Job huilen. Hij snikt: ‘Ik had beloofd heel goed voor hem te zorgen. In de tuin heb ik nieuwe blaadjes voor hem geplukt. En nu is hij weg.’ Papa veegt de tranen uit het gezicht van Job. ‘Takkie kan niet ver weg zijn, we vinden hem wel.’


‘Waar zouden jullie je verstoppen als jullie wandelende takken waren,’ vraagt papa. ‘In de bloemen,’ antwoordt Jelle, ‘die zien er lekker uit.’ Papa pakt de vaas en ze bekijken alle bloemen, maar Takkie zit daar niet. Job denkt goed na en zegt dan: ‘Als ik een wandelende tak was dan zou ik niet weglopen. Dan is er niemand die voor je zorgt en blaadjes voor je plukt. Dat is veel te gevaarlijk.’


Dan komt mama de kamer binnen .‘Waarom kijken jullie zo verdrietig?’ vraagt mama. Job staart naar de grond. Job durft het niet te vertellen. Hij zou voor Takkie zorgen en nu is hij weg. ‘Takkie is weg,’ fluistert Jelle. ‘Weg? Hij kan toch niet ontsnappen,’ zegt mama verbaasd. Mama ziet dat de pot vol zit met nieuwe blaadjes. ‘Heb je hem eruit gehaald toen je de nieuwe bladeren in de pot stopte?’ vraagt mama. Job schudt zijn hoofd. De pot zit nu wel erg vol met bladeren, zou Takkie er echt niet tussen zitten?  


Voorzichtig haalt mama de bladeren één voor een uit de pot. Er is nog geen wandelende tak te zien. Maar als ze weer een blaadje optilt roept Job: ‘Daar zit hij!’ Takkie houdt zich goed vast aan het blad dat mama omhoog houdt. Wat had hij zich goed verstopt! ‘Gelukkig is hij niet weg gelopen,’ zegt Job. En papa zegt: ‘Als ik een wandelende tak was zou ik ook niet weg wandelen, jullie zorgen zo goed voor hem!’


maandag 27 mei 2019

Schatten


Het is een mooie dag. Job en Jelle zijn met mama in de speeltuin. Jelle speelt met zijn schep en emmer in de zandbak. Job rent met zijn bal door het gras. Ineens staat Job stil en pakt iets van de grond. Wat heeft hij daar? Job rent naar mama en roept: ‘Mama, kijk eens wat ik heb!’ Job heeft een takje gevonden. ‘Dat is een mooie tak,’ zegt mama. ‘Dit is niet zomaar een tak,’ zegt Job, ‘Dit is een schat.’ Hij stopt het takje in zijn jaszak en rent weer weg. ‘Ik ga nog meer schatten zoeken,’ roept hij.


Even later komt Job weer terug gerend. ‘Mama, ik heb nog een schat gevonden!’ roept hij enthousiast. Mama is erg benieuwd naar de schat.  Job laat zien wat hij in zijn hand heeft. ‘Wauw, dat is mooi!’ zegt mama. Jelle is ook nieuwsgierig. Voorzichtig strekt Job zijn hand uit om de schat aan Jelle te laten zien. ‘Dat is geen schat,’ zegt Jelle teleurgesteld. ‘Dat is gewoon een steen.’ ‘Dit is geen gewone steen,’ zegt Job ,’Het is een hele bijzondere steen. Ja toch mama?’ Mama antwoordt: ‘Het is een prachtige steen.’ ‘Dat vind ik ook,’ zegt Job. Hij stopt de steen in zijn jaszak en huppelt weer weg. Jelle draait zijn emmer om en schept er weer zand in.


Vandaag is echt een geluksdag. Job vindt van alles in de speeltuin. Mooie stenen, takken, een touwtje en zelfs een ijzeren schroef. Als ze weer naar huis gaan zitten de jaszakken van Job erg vol. Thuis haalt Job zijn zakken leeg voordat hij zijn jas ophangt. Eén voor één legt hij alle takken en stenen op de deurmat. Jelle kijkt hoe zijn broer zijn zakken leeg haalt. Trots laat Job zien dat hij ook een touwtje en een schroef gevonden heeft. Job is erg blij met zijn verzameling. Jelle is niet blij. Hij kijkt beteuterd naar de schatten van Job. ‘Vind je het niet mooi?’ vraagt Job. Zachtjes antwoordt Jelle: ‘Ik heb geen schatten.’ Job kijk naar zijn enorme verzameling. ‘Je mag wel een schat van mij hebben,’ zegt Job lief. Jelle schudt zijn hoofd. ‘Ik wil zelf schatten zoeken.’ ‘De dag is alweer bijna voorbij,’ zegt mama. ‘We gaan nu niet meer naar buiten. Trek jullie schoenen maar uit.’ Boos slaat Jelle zijn armen over elkaar. ‘Ik trek mijn schoenen niet uit, ik wil schatten zoeken.’ Mama legt uit dat het nu te laat is om weer naar buiten te gaan. ‘Morgen kunnen we samen gaan zoeken,’ stelt Job voor. ‘Nee, ik wil nu een schat,’ zegt Jelle nog bozer.


Mama zucht. ‘Jelle, doe niet zo dwars. Kom, trek je schoenen uit.’ Jelle trekt snel zijn voet weg als mama zijn schoen uit wil trekken. Nog net op tijd pakt mama de schoen vast en de schoen vliegt uit. Dan roept Job: ‘Goud! Kijk nou, allemaal goud!’ Mama en Jelle kijken naar de mat. Er is heel veel zand uit de schoen van Jelle gekomen. ‘Wauw! Een hele berg goud,’ zegt mama vol bewondering. ‘Snel trekt Jelle zijn andere schoen uit. Ook daar komt een hele berg zand uit. Jelle kijkt trots naar al het zand op de deurmat. Twee bergen goud naast de schatten van Job. ‘Nu hoef ik niet meer te zoeken,’ zegt Jelle blij. ‘Ik heb mijn schat gevonden!’


donderdag 11 april 2019

Ruzie


Job heeft een winkeltje. Het is net een echte winkel, met een kassa en plankjes. Hij verkoopt van alles:  limonade, cola, brood, groenten, fruit, ijs en pizza. ‘Jelle, wil je wat drinken?’ vraagt Job. Daar heeft Jelle wel trek in. ‘Wat heb je voor drinken?’ vraagt Jelle. Job pakt twee bekertjes en antwoordt: ‘Limonade en cola.’ ‘Ik mag geen cola,’ zegt Jelle beteuterd. ‘Maar het is nep-cola,’ legt Job uit. ‘Dat mag je wel.’ ‘Echt waar?’ vraagt Jelle. ‘Dan wil ik cola!’ Job geeft een bekertje aan Jelle en zegt:  ‘Dat kost vijf euro.’ Jelle kijkt weer beteuterd. ‘Ik heb geen vijf euro.’ ‘Nee, mallerd! Je moet ook voor nep betalen,’ zegt Job. ‘Kijk je hebt geld in je hand, geef dat maar aan mij.’ Job pakt het lege handje van Jelle en doet alsof hij er geld uit pakt.


Dan krijgt Jelle het bekertje. ‘Drink maar op,’ zegt Job. Jelle ziet dat de beker leeg is. Maar nu snapt hij dat het niet echt is. Jelle doet net alsof hij de beker leeg drinkt. ‘Niet zo snel,’ waarschuwt Job. ‘Cola prikt in je buik!’ Jelle trekt een vies gezicht en zegt: ‘Bah! Ik lust geen prik.’ Job lacht, hij vindt het grappig dat zijn broertje het spel nu ook meespeelt. ‘Ik heb ook honger,’ zegt Jelle. ‘Wil je pizza?’ vraagt Job. Dat lust Jelle wel. Job zet de pizza op de toonbank. Job zoekt de pizzasnijder om de pizza in stukje te snijden. Maar Jelle pakt de hele pizza. ‘Jelle, zet de pizza terug,’ roept Job boos. Job wil de pizza van Jelle afpakken. Jelle laat niet los en gilt:  ‘Ik mag toch pizza!’ ‘Een hele pizza is veel te veel,’ schreeuwt Job. De broertjes trekken aan de pizza. Dan gaat het mis. Jelle laat de pizza los. Job valt op zijn billen en de stukken pizza vliegen door de lucht. ‘Kijk nou wat je doet!’ Job is boos en Jelle huilt van schrik.


Mama komt de winkel binnen en vraagt: ‘Wat is hier aan de hand?’ ‘Jelle pakt mijn pizza af,’ gilt Job. En Jelle snikt: ‘Job is nooit meer mijn vriend.’ ‘Ik ben ook niet je vriend,’ zegt Job boos. ‘Ik ben je broer.’  Mama zegt: ‘Jullie waren zo lief aan het spelen, als echte vrienden. Vrienden en broertjes maken ook ruzie, dat is helemaal niet erg. Vertel eens wat er is gebeurd.’ Job antwoordt: ‘Jelle pakte de hele pizza maar ik verkoop alleen maar stukjes.’  Jelle snikt: ‘Ik heb zo’n honger.’ Mama kijkt naar alle stukjes pizza op de grond. ‘Heb je zo’n grote honger dat je de hele pizza op kan eten?’ vraagt mama verbaasd. Jelle knikt. ‘Ik denk dat Job gelijk heeft, een hele pizza is veel te groot. Zullen we eerst maar een stukje bestellen?’ Weer knikt Jelle en hij veegt zijn tranen weg. Job zoekt  alle stukjes pizza bij elkaar en legt de hele pizza op de toonbank. Mama koopt twee stukjes pizza bij Job. Een stukje voor Jelle en een stukje voor mama. ‘Gelukkig heb jij niet de hele pizza opgegeten,’ zegt mama tegen Jelle. ‘Ik heb ook wel trek.’ ‘En Aap ook!’ roept Jelle. Jelle koopt nog een stukje pizza voor Aap.


Job snijdt de pizza en geeft iedereen een stukje. Zelf neemt hij ook een stuk. Job is niet meer boos en Jelle is niet meer verdrietig. ‘Ben je weer mijn vriend?’ vraagt Jelle. ‘Ik ben je vriend én je broer,’ lacht Job. Mama is blij dat de broertjes weer vrienden zijn. Tevreden zet ze haar tanden in de pizza. Au! Dat is hard. Wat een malle mama, ze weet toch wel dat allemaal maar nep is?



zondag 24 maart 2019

Kusje


‘Job, vergeet je niet iets?’ vraagt mama. Job denkt goed na. Hij heeft zijn tanden gepoetst. Zijn schoenen en zijn jas heeft hij aangetrokken. Zijn schooltas heeft hij op zijn rug. En papa staat al klaar om Job naar school te brengen.  Job is er helemaal klaar voor. Hij antwoordt: ‘Nee, ik ben niks vergeten!’ Mama buigt naar Job toe. Ze maakt een kusmondje en wijst op haar lippen. ‘Oja! Een kus!’ roept Job. Hij springt mama om d’r nek en geeft een hele dikke zoen. ‘Je kan natuurlijk niet naar school zonder een kus zegt,’ mama. 
‘Geef je Jelle ook nog een kus?’ vraagt papa. Job trekt een vies gezicht. Jelle pakt de arm van Job vast en gaat op zijn tenen staan, met een kusmondje. Job kijkt snel de andere kant op. ‘Waarom moet ik Jelle ook een kus geven,’ vraagt Job. ‘Het moet niet, maar het is wel lief,’ antwoordt mama. ‘Volgens mij lust Jelle wel een kusje.’ Jelle kijkt op z’n allerliefst naar zijn grote broer en vraagt met een lief stemmetje: ‘Kusje?’  ‘Oke,’ zegt Job. Job doet net of hij zijn broertje een kus gaat geven. Maar snel geeft hij een lik op zijn wang. ‘Ieeuw! Een lik-kus!’ gilt Jelle. Job lacht: ‘Een lik-kus is ook een kus.’ Jelle veegt zijn wang snel af. Dan krijgt hij nog een echte kus van papa. 

Papa en Job lopen naar buiten. Mama en Jelle staan in de deuropening en zwaaien ze uit. ‘Dag papa. Dag Job!’  roept Jelle. Papa en Job draaien zich nog even om en zwaaien terug.  Voordat ze verder lopen blaast papa een handkusje naar Jelle. Jelle pakt het kusje uit de lucht en roept: “Hebbes!’ Zijn handjes met daarin de kus wrijft hij over zijn gezicht.  Job blaast  een handkusje naar mama. Ojee, hij  blaast veel te hard. Mama vliegt naar achteren. ‘Niet zo hard!’ roept mama uit. Job en Jelle lachen.  Wat een gekke mama. ‘Wil je mij ook omblazen met een kus?’ vraagt Jelle. Job wil geen kus naar zijn broertje blazen. Dan heeft hij een idee. Job likt op zijn hand en blaast de lik-kus naar Jelle. ‘Nee! Geen lik-kus,’ roept Jelle. Hij rent snel naar binnen. Mama vangt de kus uit de lucht en blaast de natte kus terug naar Job. Job en papa gaan er snel vandoor. ‘Veel plezier op school!’ roept mama nog.

Mama tilt Jelle op en vraagt: ‘Heb jij ook nog een lekker kusje voor mij?’ Jelle knikt maar zijn oogjes twinkelen ondeugend. Jelle slaat zijn armpjes om mama heen en geeft een dikke kus. Het lijkt wel of zijn mond is vastgeplakt op de wang van mama. ‘Wat een lekkere kus’ zegt mama. Dan voelt mama ineens een natte tong. ‘Getsie!’ roept mama en ze veegt haar wang droog. ‘Ik ben dol op jouw kusjes, maar die vieze natte lik-kusjes bewaar je maar voor je broer.’