dinsdag 18 juni 2019

Takkie


‘Ik zie hem niet,’ zegt Job beteuterd. Job en Jelle turen in de glazen pot. Voorzichtig draait Job de pot rond, zo kunnen de broertjes de andere kant goed zien. In de pot zitten takjes en bladeren van de klimop. Ergens tussen die bladeren moet Takkie zitten. Takkie is een wandelende tak. Job heeft hem gisteren van school meegekregen. Het lijkt op een echte tak, daarom zie je hem niet zo goed tussen de takken van de klimop. ‘Waar zit hij toch?’ vraagt Jelle. Job kijkt nog eens goed tussen alle bladeren en antwoordt: ‘Takkie is weg gelopen. Hij zit echt niet meer in de pot.’ Jelle schrikt. ‘Kan een tak weglopen?’ ‘Natuurlijk, het is toch een wandelende tak,’ antwoordt Job. ‘Kijk, er zitten gaatjes aan de bovenkant voor de frisse lucht. Takkie is nog zo klein, hij is er vast doorheen gekropen.’ Snel kijkt Job om zich heen. ‘We moeten hem zoeken!’


‘Takkie! Takkie!’ roepen de boertjes. Job en Jelle kijken overal maar de wandelende tak zien ze nergens. ‘Wie zoeken jullie?’ vraagt papa als hij de kamer binnen komt. ‘Takkie. We zijn Takkie kwijt!’ antwoordt Job. ‘Wie is Takkie?’ vraagt papa verbaasd. ‘De wandelende tak,’ zucht Job. ‘Weet je dat niet? ‘ ‘Oh, ik wist niet dat die tak een naam had,’ zegt papa. ‘We moeten hem vinden,’ zegt Jelle. ‘Takkie is nog maar een baby tak.’ Dan moet Job huilen. Hij snikt: ‘Ik had beloofd heel goed voor hem te zorgen. In de tuin heb ik nieuwe blaadjes voor hem geplukt. En nu is hij weg.’ Papa veegt de tranen uit het gezicht van Job. ‘Takkie kan niet ver weg zijn, we vinden hem wel.’



‘Waar zouden jullie je verstoppen als jullie wandelende takken waren,’ vraagt papa. ‘In de bloemen,’ antwoordt Jelle, ‘die zien er lekker uit.’ Papa pakt de vaas en ze bekijken alle bloemen, maar Takkie zit daar niet. Job denkt goed na en zegt dan: ‘Als ik een wandelende tak was dan zou ik niet

weglopen. Dan is er niemand die voor je zorgt en blaadjes voor je plukt. Dat is veel te gevaarlijk.’


Dan komt mama de kamer binnen .‘Waarom kijken jullie zo verdrietig?’ vraagt mama. Job staart naar de grond. Job durft het niet te vertellen. Hij zou voor Takkie zorgen en nu is hij weg. ‘Takkie is weg,’ fluistert Jelle. ‘Weg? Hij kan toch niet ontsnappen,’ zegt mama verbaasd. Mama ziet dat de pot vol zit met nieuwe blaadjes. ‘Heb je hem eruit gehaald toen je de nieuwe bladeren in de pot stopte?’ vraagt mama. Job schudt zijn hoofd. De pot zit nu wel erg vol met bladeren, zou Takkie er echt niet tussen zitten?  


Voorzichtig haalt mama de bladeren één voor een uit de pot. Er is nog geen wandelende tak te zien. Maar als ze weer een blaadje optilt roept Job: ‘Daar zit hij!’ Takkie houdt zich goed vast aan het blad dat mama omhoog houdt. Wat had hij zich goed verstopt! ‘Gelukkig is hij niet weg gelopen,’ zegt Job. En papa zegt: ‘Als ik een wandelende tak was zou ik ook niet weg wandelen, jullie zorgen zo goed voor hem!’


maandag 27 mei 2019

Schatten


Het is een mooie dag. Job en Jelle zijn met mama in de speeltuin. Jelle speelt met zijn schep en emmer in de zandbak. Job rent met zijn bal door het gras. Ineens staat Job stil en pakt iets van de grond. Wat heeft hij daar? Job rent naar mama en roept: ‘Mama, kijk eens wat ik heb!’ Job heeft een takje gevonden. ‘Dat is een mooie tak,’ zegt mama. ‘Dit is niet zomaar een tak,’ zegt Job, ‘Dit is een schat.’ Hij stopt het takje in zijn jaszak en rent weer weg. ‘Ik ga nog meer schatten zoeken,’ roept hij.


Even later komt Job weer terug gerend. ‘Mama, ik heb nog een schat gevonden!’ roept hij enthousiast. Mama is erg benieuwd naar de schat.  Job laat zien wat hij in zijn hand heeft. ‘Wauw, dat is mooi!’ zegt mama. Jelle is ook nieuwsgierig. Voorzichtig strekt Job zijn hand uit om de schat aan Jelle te laten zien. ‘Dat is geen schat,’ zegt Jelle teleurgesteld. ‘Dat is gewoon een steen.’ ‘Dit is geen gewone steen,’ zegt Job ,’Het is een hele bijzondere steen. Ja toch mama?’ Mama antwoordt: ‘Het is een prachtige steen.’ ‘Dat vind ik ook,’ zegt Job. Hij stopt de steen in zijn jaszak en huppelt weer weg. Jelle draait zijn emmer om en schept er weer zand in.


Vandaag is echt een geluksdag. Job vindt van alles in de speeltuin. Mooie stenen, takken, een touwtje en zelfs een ijzeren schroef. Als ze weer naar huis gaan zitten de jaszakken van Job erg vol. Thuis haalt Job zijn zakken leeg voordat hij zijn jas ophangt. Eén voor één legt hij alle takken en stenen op de deurmat. Jelle kijkt hoe zijn broer zijn zakken leeg haalt. Trots laat Job zien dat hij ook een touwtje en een schroef gevonden heeft. Job is erg blij met zijn verzameling. Jelle is niet blij. Hij kijkt beteuterd naar de schatten van Job. ‘Vind je het niet mooi?’ vraagt Job. Zachtjes antwoordt Jelle: ‘Ik heb geen schatten.’ Job kijk naar zijn enorme verzameling. ‘Je mag wel een schat van mij hebben,’ zegt Job lief. Jelle schudt zijn hoofd. ‘Ik wil zelf schatten zoeken.’ ‘De dag is alweer bijna voorbij,’ zegt mama. ‘We gaan nu niet meer naar buiten. Trek jullie schoenen maar uit.’ Boos slaat Jelle zijn armen over elkaar. ‘Ik trek mijn schoenen niet uit, ik wil schatten zoeken.’ Mama legt uit dat het nu te laat is om weer naar buiten te gaan. ‘Morgen kunnen we samen gaan zoeken,’ stelt Job voor. ‘Nee, ik wil nu een schat,’ zegt Jelle nog bozer.


Mama zucht. ‘Jelle, doe niet zo dwars. Kom, trek je schoenen uit.’ Jelle trekt snel zijn voet weg als mama zijn schoen uit wil trekken. Nog net op tijd pakt mama de schoen vast en de schoen vliegt uit. Dan roept Job: ‘Goud! Kijk nou, allemaal goud!’ Mama en Jelle kijken naar de mat. Er is heel veel zand uit de schoen van Jelle gekomen. ‘Wauw! Een hele berg goud,’ zegt mama vol bewondering. ‘Snel trekt Jelle zijn andere schoen uit. Ook daar komt een hele berg zand uit. Jelle kijkt trots naar al het zand op de deurmat. Twee bergen goud naast de schatten van Job. ‘Nu hoef ik niet meer te zoeken,’ zegt Jelle blij. ‘Ik heb mijn schat gevonden!’


donderdag 11 april 2019

Ruzie


Job heeft een winkeltje. Het is net een echte winkel, met een kassa en plankjes. Hij verkoopt van alles:  limonade, cola, brood, groenten, fruit, ijs en pizza. ‘Jelle, wil je wat drinken?’ vraagt Job. Daar heeft Jelle wel trek in. ‘Wat heb je voor drinken?’ vraagt Jelle. Job pakt twee bekertjes en antwoordt: ‘Limonade en cola.’ ‘Ik mag geen cola,’ zegt Jelle beteuterd. ‘Maar het is nep-cola,’ legt Job uit. ‘Dat mag je wel.’ ‘Echt waar?’ vraagt Jelle. ‘Dan wil ik cola!’ Job geeft een bekertje aan Jelle en zegt:  ‘Dat kost vijf euro.’ Jelle kijkt weer beteuterd. ‘Ik heb geen vijf euro.’ ‘Nee, mallerd! Je moet ook voor nep betalen,’ zegt Job. ‘Kijk je hebt geld in je hand, geef dat maar aan mij.’ Job pakt het lege handje van Jelle en doet alsof hij er geld uit pakt.


Dan krijgt Jelle het bekertje. ‘Drink maar op,’ zegt Job. Jelle ziet dat de beker leeg is. Maar nu snapt hij dat het niet echt is. Jelle doet net alsof hij de beker leeg drinkt. ‘Niet zo snel,’ waarschuwt Job. ‘Cola prikt in je buik!’ Jelle trekt een vies gezicht en zegt: ‘Bah! Ik lust geen prik.’ Job lacht, hij vindt het grappig dat zijn broertje het spel nu ook meespeelt. ‘Ik heb ook honger,’ zegt Jelle. ‘Wil je pizza?’ vraagt Job. Dat lust Jelle wel. Job zet de pizza op de toonbank. Job zoekt de pizzasnijder om de pizza in stukje te snijden. Maar Jelle pakt de hele pizza. ‘Jelle, zet de pizza terug,’ roept Job boos. Job wil de pizza van Jelle afpakken. Jelle laat niet los en gilt:  ‘Ik mag toch pizza!’ ‘Een hele pizza is veel te veel,’ schreeuwt Job. De broertjes trekken aan de pizza. Dan gaat het mis. Jelle laat de pizza los. Job valt op zijn billen en de stukken pizza vliegen door de lucht. ‘Kijk nou wat je doet!’ Job is boos en Jelle huilt van schrik.


Mama komt de winkel binnen en vraagt: ‘Wat is hier aan de hand?’ ‘Jelle pakt mijn pizza af,’ gilt Job. En Jelle snikt: ‘Job is nooit meer mijn vriend.’ ‘Ik ben ook niet je vriend,’ zegt Job boos. ‘Ik ben je broer.’  Mama zegt: ‘Jullie waren zo lief aan het spelen, als echte vrienden. Vrienden en broertjes maken ook ruzie, dat is helemaal niet erg. Vertel eens wat er is gebeurd.’ Job antwoordt: ‘Jelle pakte de hele pizza maar ik verkoop alleen maar stukjes.’  Jelle snikt: ‘Ik heb zo’n honger.’ Mama kijkt naar alle stukjes pizza op de grond. ‘Heb je zo’n grote honger dat je de hele pizza op kan eten?’ vraagt mama verbaasd. Jelle knikt. ‘Ik denk dat Job gelijk heeft, een hele pizza is veel te groot. Zullen we eerst maar een stukje bestellen?’ Weer knikt Jelle en hij veegt zijn tranen weg. Job zoekt  alle stukjes pizza bij elkaar en legt de hele pizza op de toonbank. Mama koopt twee stukjes pizza bij Job. Een stukje voor Jelle en een stukje voor mama. ‘Gelukkig heb jij niet de hele pizza opgegeten,’ zegt mama tegen Jelle. ‘Ik heb ook wel trek.’ ‘En Aap ook!’ roept Jelle. Jelle koopt nog een stukje pizza voor Aap.


Job snijdt de pizza en geeft iedereen een stukje. Zelf neemt hij ook een stuk. Job is niet meer boos en Jelle is niet meer verdrietig. ‘Ben je weer mijn vriend?’ vraagt Jelle. ‘Ik ben je vriend én je broer,’ lacht Job. Mama is blij dat de broertjes weer vrienden zijn. Tevreden zet ze haar tanden in de pizza. Au! Dat is hard. Wat een malle mama, ze weet toch wel dat allemaal maar nep is?



zondag 24 maart 2019

Kusje


‘Job, vergeet je niet iets?’ vraagt mama. Job denkt goed na. Hij heeft zijn tanden gepoetst. Zijn schoenen en zijn jas heeft hij aangetrokken. Zijn schooltas heeft hij op zijn rug. En papa staat al klaar om Job naar school te brengen.  Job is er helemaal klaar voor. Hij antwoordt: ‘Nee, ik ben niks vergeten!’ Mama buigt naar Job toe. Ze maakt een kusmondje en wijst op haar lippen. ‘Oja! Een kus!’ roept Job. Hij springt mama om d’r nek en geeft een hele dikke zoen. ‘Je kan natuurlijk niet naar school zonder een kus zegt,’ mama. 
‘Geef je Jelle ook nog een kus?’ vraagt papa. Job trekt een vies gezicht. Jelle pakt de arm van Job vast en gaat op zijn tenen staan, met een kusmondje. Job kijkt snel de andere kant op. ‘Waarom moet ik Jelle ook een kus geven,’ vraagt Job. ‘Het moet niet, maar het is wel lief,’ antwoordt mama. ‘Volgens mij lust Jelle wel een kusje.’ Jelle kijkt op z’n allerliefst naar zijn grote broer en vraagt met een lief stemmetje: ‘Kusje?’  ‘Oke,’ zegt Job. Job doet net of hij zijn broertje een kus gaat geven. Maar snel geeft hij een lik op zijn wang. ‘Ieeuw! Een lik-kus!’ gilt Jelle. Job lacht: ‘Een lik-kus is ook een kus.’ Jelle veegt zijn wang snel af. Dan krijgt hij nog een echte kus van papa. 

Papa en Job lopen naar buiten. Mama en Jelle staan in de deuropening en zwaaien ze uit. ‘Dag papa. Dag Job!’  roept Jelle. Papa en Job draaien zich nog even om en zwaaien terug.  Voordat ze verder lopen blaast papa een handkusje naar Jelle. Jelle pakt het kusje uit de lucht en roept: “Hebbes!’ Zijn handjes met daarin de kus wrijft hij over zijn gezicht.  Job blaast  een handkusje naar mama. Ojee, hij  blaast veel te hard. Mama vliegt naar achteren. ‘Niet zo hard!’ roept mama uit. Job en Jelle lachen.  Wat een gekke mama. ‘Wil je mij ook omblazen met een kus?’ vraagt Jelle. Job wil geen kus naar zijn broertje blazen. Dan heeft hij een idee. Job likt op zijn hand en blaast de lik-kus naar Jelle. ‘Nee! Geen lik-kus,’ roept Jelle. Hij rent snel naar binnen. Mama vangt de kus uit de lucht en blaast de natte kus terug naar Job. Job en papa gaan er snel vandoor. ‘Veel plezier op school!’ roept mama nog.

Mama tilt Jelle op en vraagt: ‘Heb jij ook nog een lekker kusje voor mij?’ Jelle knikt maar zijn oogjes twinkelen ondeugend. Jelle slaat zijn armpjes om mama heen en geeft een dikke kus. Het lijkt wel of zijn mond is vastgeplakt op de wang van mama. ‘Wat een lekkere kus’ zegt mama. Dan voelt mama ineens een natte tong. ‘Getsie!’ roept mama en ze veegt haar wang droog. ‘Ik ben dol op jouw kusjes, maar die vieze natte lik-kusjes bewaar je maar voor je broer.’



zondag 10 maart 2019

Piratenboot


Hé! Wat is dat? Job zit in een grote doos. Midden in de woonkamer. ‘Mag ik ook in de doos?’ vraagt Jelle. ‘Dat kan niet,’ antwoordt Job. Jelle kijkt beteuterd naar de grote doos. Hij past er makkelijk bij. ‘Het is helemaal geen doos,’ legt Job uit, ‘Dit is mijn piratenboot! Ik ben op weg naar het pirateneiland. Kom je mee?’ Jelle schudt zijn hoofd. Hij wil heel graag samen met Job in de grote doos, maar een piratenboot en een pirateneiland is veel te spannend. ‘Ik durf niet in een piratenboot,’ zegt Jelle. ‘Je hoeft niet bang te zijn voor piraten,’ stelt Job zijn broertje gerust, ‘Je bent toch al een grote jongen!’ Jelle knikt en klimt heel dapper in de piratenboot.

‘Houd je goed vast!’ zegt Job. ‘We varen de grote oceaan over.’ Dan roept Jelle: ‘Aap moet ook mee!’ Jelle staat op om Aap te gaan halen. Net als hij uit de doos wil stappen pakt Job hem stevig vast. ‘Pas op, zo val je in het water.’ Jelle probeert zich los rukken en gilt: ‘Ik wil naar Aap!’ Job laat zijn broertje niet los. Mama komt snel de kamer in. ‘Jongens wat is er aan de hand?’ vraagt mama. Job laat zijn broertje van schrik los en roept: ‘Mama, stop! Je loopt bijna in het water.’ Nog net op tijd staat mama stil. 

‘Jelle wil uit de boot maar we varen midden op de oceaan,’ legt Job uit. Jelle snikt: ‘Aap moet ook mee naar pirateneiland.’
‘Dan varen jullie toch even terug om Aap te halen,’ stelt mama voor. En dat doen ze. Job draait zich om en vaart terug. ‘Schip Ahoy, land in zicht!’ roept Job. Dan mag Jelle uitstappen. Hij pakt zijn aap en neemt hem mee naar de doos. De doos is groot genoeg voor Job, Jelle en Aap.

‘Mag ik ook in jullie piratenschip,’ vraagt mama. ‘Ik wil dat pirateneiland van jullie ook wel zien.’ Jelle vindt het een goed idee. Hij schuift zo dicht mogelijk tegen Job aan om plaats te maken voor mama. ‘Mama, dat kan niet!’ zegt Job. ‘Ben ik te groot voor jullie piratenboot?’ vraagt mama. ‘Nee hoor,’ antwoordt Job. ‘Het kan niet, want er is geen piratenboot. Dit is een vissersboot. Jelle is toch te klein voor een piratenboot.’
‘Ik ben niet klein,’ protesteert Jelle. ‘Een piratenboot is heel gevaarlijk, daar is het altijd vechten. We kunnen beter vissen gaan vangen,’ zegt Job. ‘Ja, vissen vangen!’ juicht Jelle. ‘Ga je ook mee, mama?’ De broertjes kijken vragend naar mama. ‘Gaan jullie maar vissen, dan ga ik verder met eten koken,’ antwoordt mama. Job en Jelle varen weg. Job doet net of hij een hengel heeft en gooit de dobber het water in. Jelle doet zijn broer na. Ze wachten rustig tot er een vis hapt.

Mama loopt terug naar de keuken en zegt: ‘Wat fijn dat jullie geen piraten meer zijn maar vissers. Vissers vechten niet én ik heb wel trek in een visje!'


zondag 17 februari 2019

Handje helpen


‘Jelle! Wacht!’ roept Job. Hij rent achter zijn broertje aan. Net voordat Jelle de tuin uit wil lopen pakt Job zijn arm vast. ‘Je mag de tuin niet uit,’ zegt Job streng. Jelle is het daar niet mee eens. ‘Ik kan best zelf naar de speeltuin,’ protesteert Jelle. ‘Ik kijk toch goed uit!’ Job laat de arm van Jelle los en pakt zijn hand vast. ‘Je bent veel te klein om alleen te gaan. Ik let wel op je,’ zegt Job. Hand in hand lopen de broertjes over de stoep.  

Dan komen ze bij de grote weg. Wat nu? Job en Jelle mogen deze weg niet oversteken. Maar de speeltuin is aan de andere kant. Voor het zebrapad blijven de broertjes staan. Een auto komt aanrijden en stopt keurig voor het zebrapad. De mevrouw in de auto wuift met haar hand. Dat betekent dat ze mogen oversteken. Maar Job schudt zijn hoofd en houdt zijn broertje stevig vast.  Van mama mogen ze niet alleen de straat over. Gelukkig komt mama er al aan. ‘Wat goed dat jullie op mij wachten,’ zegt mama. ‘Nu kunnen we oversteken!’  Vriendelijk steekt mama haar hand op naar de mevrouw in de auto. Dan lopen ze het zebrapad over en gaan naar de speeltuin. 

In de speeltuin willen Job en Jelle eerst schommelen. Job kan het al zelf, hij gaat heel hoog. Jelle ligt met zijn buik op de schommel en draait rondjes. Dan trekt hij zijn benen op en de schommel draait hem in het rond. ‘Kijk eens wat ik kan!’ roept Jelle. ‘Dat is toch geen schommelen,’ zegt Job. ‘Ik help je wel.’ Hij springt van de schommel af om Jelle te helpen. Het lukt Job niet om Jelle op de schommel te tillen. Jelle is te zwaar voor Job.  Maar niet voor mama. Mama zet Jelle op de schommel en Job duwt hem. ‘Hou je goed vast,’ zegt Job. ‘Dit is best eng voor jou.’ Maar Jelle roept: ‘Harder! Ik durf nog veel hoger!’ Jelle vindt schommelen helemaal niet eng.

Na het schommelen gaan ze naar de hoge glijbaan. Job helpt zijn broertje op de gevaarlijke trap en samen glijden ze naar beneden. ‘Joehoe!’ roept Jelle enthousiast. ‘Dit kan ik wel alleen!’ Jelle klimt de trap op en roetsjt de glijbaan af. Ojee! Dat gaat veel te hard. Jelle komt met zijn billen op de grond terecht. ‘Heb je je pijn gedaan?’ vraagt Job. Maar Jelle staat lachend op en loopt weer naar het trappetje. ‘Jelle, doe voorzichtig!’ roept Job. Hij wil achter zijn broertje aangaan maar mama houdt hem tegen. ‘Laat Jelle het maar zelf proberen,’ zegt mama. ‘Zullen wij hem onderaan de glijbaan opvangen? Dan valt hij niet zo hard op zijn billen.’ Job knikt. Hij gaat onderaan de glijbaan staan en roept: ‘Kom maar Jelle! Ik vang je wel!’

Job is al groot en is hij is heel erg goed in het helpen van zijn kleine broertje. Maar als Job op de evenwichtsbalk staat kan hij zelf ook wel wat hulp gebruiken. Voorzichtig schuift hij over de balk en denkt: Wat is dit moeilijk! Bijna valt Job eraf. Hij zwaait wild met zijn armen in het rond. Dan staat Jelle naast hem. Jelle pakt de arm van zijn grote broer vast en zegt: ‘Ik help je wel!’ Met de hulp van Jelle loopt Job trots over de balk. ‘‘Ik wilde net een handje komen helpen!’ zegt mama. Maar de broertjes roepen in koor: ‘Dit kunnen we al helemaal alleen!’  Mama lacht: ‘Niet helemaal alleen, maar samen lukt het wel!’


zondag 3 februari 2019

Regen


Job en Jelle kijken door het raam. ‘Het regent niet meer!’ juicht Job. ‘Mogen we nu naar buiten?’ Mama kijkt ook door het raam. Er hangen donkere wolken in de lucht, maar de regen is gestopt. ‘Gaan jullie maar snel buiten spelen voordat het weer gaat regenen,’ antwoordt mama. ‘Maar trek wel jullie laarzen aan!’

Job trekt zijn regenlaarzen aan en rent naar buiten. Mama pakt de laarzen van Jelle, maar Jelle wil geen laarzen aan. ‘Ik wil mijn schoenen aan,’ zegt Jelle. ‘Laarzen zijn stom!’ Mama kijkt naar de laarzen en zegt:  ‘Het zijn juist erg stoere laarzen waarmee je in de plassen kunt stampen. Stop je voet er maar in.’ Jelle schudt zijn hoofd en schopt met zijn voet. Jelle wil echt geen laarzen aan. Mama zucht en pakt Jelle z’n schoenen. ‘Niet door de plassen lopen,’ roept mama nog als Jelle op zijn schoenen naar buiten rent.

Job staat naast een hele grote plas. Zou de plas diep zijn? Job gooit er steentjes in. Jelle pakt een tak en roert door het water. ‘Ik ga door deze diepe plas lopen,’ zegt Job stoer. Heel voorzichtig loopt hij met zijn laarzen door de plas. Stapje voor stapje. ‘Deze plas is helemaal niet diep,’ zegt Job. Dan gaat hij stampend door de plas. Het water spettert omhoog. ‘Plassen stampen is leuk!’ roept Job enthousiast. Dat wil Jelle ook wel. Jelle vergeet dat hij geen laarzen aan heeft en springt midden in de grote plas. Verschrikt kijkt Jelle naar zijn schoenen. Zijn schoenen zijn helemaal nat. Zijn sokken zijn ook helemaal nat. Jelle z’n lip trilt. ‘Ik wil geen natte voeten,’ snikt hij.  ‘Daarom moet je laarzen aan als je in een plas springt,’ zegt Job. Mama tilt de huilende Jelle uit de plas. ‘Wil je dan toch je laarzen aan?’ vraagt mama. Jelle knikt.

Even later springt Jelle weer in de plas, dit keer met zijn laarzen aan. Nu krijgt Jelle geen natte voeten. Hij voelt wel een druppel op zijn neus. En Job voelt druppels op zijn hoofd. ‘Het gaat weer regenen,’ zegt Job. ‘We moeten naar binnen.’ Jammer. Het plassen stampen was net zo leuk. ‘Ik wil niet naar binnen,’ jammert Jelle. Gelukkig heeft mama een idee. Mama haalt de regenjassen van Job en Jelle. Met laarzen en regenjassen aan kunnen de broertjes in de regen spelen. Job trekt zijn regenjas aan. En Jelle? Jelle wil geen regenjas aan. Hij slaat zijn armen om zich heen en schudt zijn hoofd. ‘Een regenjas is stom,’ zegt Jelle boos. ‘Wil je weer nat worden?’ vraagt Job. Jelle schudt zijn hoofd. Dan voelt Jelle een druppel op zijn hoofd. En nog één. En nog één. Nu wordt hij toch nat. ‘Kom dan maar mee naar binnen,’ zegt mama. Dat wil Jelle niet! Hij trekt snel zijn regenjas aan.  
Job en Jelle spelen buiten in de regen. De broertjes springen en dansen in de plassen. Jelle is toch wel blij met zijn stoere laarzen en met zijn mooie regenjas.