donderdag 11 april 2019

Ruzie


Job heeft een winkeltje. Het is net een echte winkel, met een kassa en plankjes. Hij verkoopt van alles:  limonade, cola, brood, groenten, fruit, ijs en pizza. ‘Jelle, wil je wat drinken?’ vraagt Job. Daar heeft Jelle wel trek in. ‘Wat heb je voor drinken?’ vraagt Jelle. Job pakt twee bekertjes en antwoordt: ‘Limonade en cola.’ ‘Ik mag geen cola,’ zegt Jelle beteuterd. ‘Maar het is nep-cola,’ legt Job uit. ‘Dat mag je wel.’ ‘Echt waar?’ vraagt Jelle. ‘Dan wil ik cola!’ Job geeft een bekertje aan Jelle en zegt:  ‘Dat kost vijf euro.’ Jelle kijkt weer beteuterd. ‘Ik heb geen vijf euro.’ ‘Nee, mallerd! Je moet ook voor nep betalen,’ zegt Job. ‘Kijk je hebt geld in je hand, geef dat maar aan mij.’ Job pakt het lege handje van Jelle en doet alsof hij er geld uit pakt.


Dan krijgt Jelle het bekertje. ‘Drink maar op,’ zegt Job. Jelle ziet dat de beker leeg is. Maar nu snapt hij dat het niet echt is. Jelle doet net alsof hij de beker leeg drinkt. ‘Niet zo snel,’ waarschuwt Job. ‘Cola prikt in je buik!’ Jelle trekt een vies gezicht en zegt: ‘Bah! Ik lust geen prik.’ Job lacht, hij vindt het grappig dat zijn broertje het spel nu ook meespeelt. ‘Ik heb ook honger,’ zegt Jelle. ‘Wil je pizza?’ vraagt Job. Dat lust Jelle wel. Job zet de pizza op de toonbank. Job zoekt de pizzasnijder om de pizza in stukje te snijden. Maar Jelle pakt de hele pizza. ‘Jelle, zet de pizza terug,’ roept Job boos. Job wil de pizza van Jelle afpakken. Jelle laat niet los en gilt:  ‘Ik mag toch pizza!’ ‘Een hele pizza is veel te veel,’ schreeuwt Job. De broertjes trekken aan de pizza. Dan gaat het mis. Jelle laat de pizza los. Job valt op zijn billen en de stukken pizza vliegen door de lucht. ‘Kijk nou wat je doet!’ Job is boos en Jelle huilt van schrik.


Mama komt de winkel binnen en vraagt: ‘Wat is hier aan de hand?’ ‘Jelle pakt mijn pizza af,’ gilt Job. En Jelle snikt: ‘Job is nooit meer mijn vriend.’ ‘Ik ben ook niet je vriend,’ zegt Job boos. ‘Ik ben je broer.’  Mama zegt: ‘Jullie waren zo lief aan het spelen, als echte vrienden. Vrienden en broertjes maken ook ruzie, dat is helemaal niet erg. Vertel eens wat er is gebeurd.’ Job antwoordt: ‘Jelle pakte de hele pizza maar ik verkoop alleen maar stukjes.’  Jelle snikt: ‘Ik heb zo’n honger.’ Mama kijkt naar alle stukjes pizza op de grond. ‘Heb je zo’n grote honger dat je de hele pizza op kan eten?’ vraagt mama verbaasd. Jelle knikt. ‘Ik denk dat Job gelijk heeft, een hele pizza is veel te groot. Zullen we eerst maar een stukje bestellen?’ Weer knikt Jelle en hij veegt zijn tranen weg. Job zoekt  alle stukjes pizza bij elkaar en legt de hele pizza op de toonbank. Mama koopt twee stukjes pizza bij Job. Een stukje voor Jelle en een stukje voor mama. ‘Gelukkig heb jij niet de hele pizza opgegeten,’ zegt mama tegen Jelle. ‘Ik heb ook wel trek.’ ‘En Aap ook!’ roept Jelle. Jelle koopt nog een stukje pizza voor Aap.


Job snijdt de pizza en geeft iedereen een stukje. Zelf neemt hij ook een stuk. Job is niet meer boos en Jelle is niet meer verdrietig. ‘Ben je weer mijn vriend?’ vraagt Jelle. ‘Ik ben je vriend én je broer,’ lacht Job. Mama is blij dat de broertjes weer vrienden zijn. Tevreden zet ze haar tanden in de pizza. Au! Dat is hard. Wat een malle mama, ze weet toch wel dat allemaal maar nep is?



zondag 24 maart 2019

Kusje


‘Job, vergeet je niet iets?’ vraagt mama. Job denkt goed na. Hij heeft zijn tanden gepoetst. Zijn schoenen en zijn jas heeft hij aangetrokken. Zijn schooltas heeft hij op zijn rug. En papa staat al klaar om Job naar school te brengen.  Job is er helemaal klaar voor. Hij antwoordt: ‘Nee, ik ben niks vergeten!’ Mama buigt naar Job toe. Ze maakt een kusmondje en wijst op haar lippen. ‘Oja! Een kus!’ roept Job. Hij springt mama om d’r nek en geeft een hele dikke zoen. ‘Je kan natuurlijk niet naar school zonder een kus zegt,’ mama. 
‘Geef je Jelle ook nog een kus?’ vraagt papa. Job trekt een vies gezicht. Jelle pakt de arm van Job vast en gaat op zijn tenen staan, met een kusmondje. Job kijkt snel de andere kant op. ‘Waarom moet ik Jelle ook een kus geven,’ vraagt Job. ‘Het moet niet, maar het is wel lief,’ antwoordt mama. ‘Volgens mij lust Jelle wel een kusje.’ Jelle kijkt op z’n allerliefst naar zijn grote broer en vraagt met een lief stemmetje: ‘Kusje?’  ‘Oke,’ zegt Job. Job doet net of hij zijn broertje een kus gaat geven. Maar snel geeft hij een lik op zijn wang. ‘Ieeuw! Een lik-kus!’ gilt Jelle. Job lacht: ‘Een lik-kus is ook een kus.’ Jelle veegt zijn wang snel af. Dan krijgt hij nog een echte kus van papa. 

Papa en Job lopen naar buiten. Mama en Jelle staan in de deuropening en zwaaien ze uit. ‘Dag papa. Dag Job!’  roept Jelle. Papa en Job draaien zich nog even om en zwaaien terug.  Voordat ze verder lopen blaast papa een handkusje naar Jelle. Jelle pakt het kusje uit de lucht en roept: “Hebbes!’ Zijn handjes met daarin de kus wrijft hij over zijn gezicht.  Job blaast  een handkusje naar mama. Ojee, hij  blaast veel te hard. Mama vliegt naar achteren. ‘Niet zo hard!’ roept mama uit. Job en Jelle lachen.  Wat een gekke mama. ‘Wil je mij ook omblazen met een kus?’ vraagt Jelle. Job wil geen kus naar zijn broertje blazen. Dan heeft hij een idee. Job likt op zijn hand en blaast de lik-kus naar Jelle. ‘Nee! Geen lik-kus,’ roept Jelle. Hij rent snel naar binnen. Mama vangt de kus uit de lucht en blaast de natte kus terug naar Job. Job en papa gaan er snel vandoor. ‘Veel plezier op school!’ roept mama nog.

Mama tilt Jelle op en vraagt: ‘Heb jij ook nog een lekker kusje voor mij?’ Jelle knikt maar zijn oogjes twinkelen ondeugend. Jelle slaat zijn armpjes om mama heen en geeft een dikke kus. Het lijkt wel of zijn mond is vastgeplakt op de wang van mama. ‘Wat een lekkere kus’ zegt mama. Dan voelt mama ineens een natte tong. ‘Getsie!’ roept mama en ze veegt haar wang droog. ‘Ik ben dol op jouw kusjes, maar die vieze natte lik-kusjes bewaar je maar voor je broer.’



zondag 10 maart 2019

Piratenboot


Hé! Wat is dat? Job zit in een grote doos. Midden in de woonkamer. ‘Mag ik ook in de doos?’ vraagt Jelle. ‘Dat kan niet,’ antwoordt Job. Jelle kijkt beteuterd naar de grote doos. Hij past er makkelijk bij. ‘Het is helemaal geen doos,’ legt Job uit, ‘Dit is mijn piratenboot! Ik ben op weg naar het pirateneiland. Kom je mee?’ Jelle schudt zijn hoofd. Hij wil heel graag samen met Job in de grote doos, maar een piratenboot en een pirateneiland is veel te spannend. ‘Ik durf niet in een piratenboot,’ zegt Jelle. ‘Je hoeft niet bang te zijn voor piraten,’ stelt Job zijn broertje gerust, ‘Je bent toch al een grote jongen!’ Jelle knikt en klimt heel dapper in de piratenboot.

‘Houd je goed vast!’ zegt Job. ‘We varen de grote oceaan over.’ Dan roept Jelle: ‘Aap moet ook mee!’ Jelle staat op om Aap te gaan halen. Net als hij uit de doos wil stappen pakt Job hem stevig vast. ‘Pas op, zo val je in het water.’ Jelle probeert zich los rukken en gilt: ‘Ik wil naar Aap!’ Job laat zijn broertje niet los. Mama komt snel de kamer in. ‘Jongens wat is er aan de hand?’ vraagt mama. Job laat zijn broertje van schrik los en roept: ‘Mama, stop! Je loopt bijna in het water.’ Nog net op tijd staat mama stil. 

‘Jelle wil uit de boot maar we varen midden op de oceaan,’ legt Job uit. Jelle snikt: ‘Aap moet ook mee naar pirateneiland.’
‘Dan varen jullie toch even terug om Aap te halen,’ stelt mama voor. En dat doen ze. Job draait zich om en vaart terug. ‘Schip Ahoy, land in zicht!’ roept Job. Dan mag Jelle uitstappen. Hij pakt zijn aap en neemt hem mee naar de doos. De doos is groot genoeg voor Job, Jelle en Aap.

‘Mag ik ook in jullie piratenschip,’ vraagt mama. ‘Ik wil dat pirateneiland van jullie ook wel zien.’ Jelle vindt het een goed idee. Hij schuift zo dicht mogelijk tegen Job aan om plaats te maken voor mama. ‘Mama, dat kan niet!’ zegt Job. ‘Ben ik te groot voor jullie piratenboot?’ vraagt mama. ‘Nee hoor,’ antwoordt Job. ‘Het kan niet, want er is geen piratenboot. Dit is een vissersboot. Jelle is toch te klein voor een piratenboot.’
‘Ik ben niet klein,’ protesteert Jelle. ‘Een piratenboot is heel gevaarlijk, daar is het altijd vechten. We kunnen beter vissen gaan vangen,’ zegt Job. ‘Ja, vissen vangen!’ juicht Jelle. ‘Ga je ook mee, mama?’ De broertjes kijken vragend naar mama. ‘Gaan jullie maar vissen, dan ga ik verder met eten koken,’ antwoordt mama. Job en Jelle varen weg. Job doet net of hij een hengel heeft en gooit de dobber het water in. Jelle doet zijn broer na. Ze wachten rustig tot er een vis hapt.

Mama loopt terug naar de keuken en zegt: ‘Wat fijn dat jullie geen piraten meer zijn maar vissers. Vissers vechten niet én ik heb wel trek in een visje!'


zondag 17 februari 2019

Handje helpen


‘Jelle! Wacht!’ roept Job. Hij rent achter zijn broertje aan. Net voordat Jelle de tuin uit wil lopen pakt Job zijn arm vast. ‘Je mag de tuin niet uit,’ zegt Job streng. Jelle is het daar niet mee eens. ‘Ik kan best zelf naar de speeltuin,’ protesteert Jelle. ‘Ik kijk toch goed uit!’ Job laat de arm van Jelle los en pakt zijn hand vast. ‘Je bent veel te klein om alleen te gaan. Ik let wel op je,’ zegt Job. Hand in hand lopen de broertjes over de stoep.  

Dan komen ze bij de grote weg. Wat nu? Job en Jelle mogen deze weg niet oversteken. Maar de speeltuin is aan de andere kant. Voor het zebrapad blijven de broertjes staan. Een auto komt aanrijden en stopt keurig voor het zebrapad. De mevrouw in de auto wuift met haar hand. Dat betekent dat ze mogen oversteken. Maar Job schudt zijn hoofd en houdt zijn broertje stevig vast.  Van mama mogen ze niet alleen de straat over. Gelukkig komt mama er al aan. ‘Wat goed dat jullie op mij wachten,’ zegt mama. ‘Nu kunnen we oversteken!’  Vriendelijk steekt mama haar hand op naar de mevrouw in de auto. Dan lopen ze het zebrapad over en gaan naar de speeltuin. 

In de speeltuin willen Job en Jelle eerst schommelen. Job kan het al zelf, hij gaat heel hoog. Jelle ligt met zijn buik op de schommel en draait rondjes. Dan trekt hij zijn benen op en de schommel draait hem in het rond. ‘Kijk eens wat ik kan!’ roept Jelle. ‘Dat is toch geen schommelen,’ zegt Job. ‘Ik help je wel.’ Hij springt van de schommel af om Jelle te helpen. Het lukt Job niet om Jelle op de schommel te tillen. Jelle is te zwaar voor Job.  Maar niet voor mama. Mama zet Jelle op de schommel en Job duwt hem. ‘Hou je goed vast,’ zegt Job. ‘Dit is best eng voor jou.’ Maar Jelle roept: ‘Harder! Ik durf nog veel hoger!’ Jelle vindt schommelen helemaal niet eng.

Na het schommelen gaan ze naar de hoge glijbaan. Job helpt zijn broertje op de gevaarlijke trap en samen glijden ze naar beneden. ‘Joehoe!’ roept Jelle enthousiast. ‘Dit kan ik wel alleen!’ Jelle klimt de trap op en roetsjt de glijbaan af. Ojee! Dat gaat veel te hard. Jelle komt met zijn billen op de grond terecht. ‘Heb je je pijn gedaan?’ vraagt Job. Maar Jelle staat lachend op en loopt weer naar het trappetje. ‘Jelle, doe voorzichtig!’ roept Job. Hij wil achter zijn broertje aangaan maar mama houdt hem tegen. ‘Laat Jelle het maar zelf proberen,’ zegt mama. ‘Zullen wij hem onderaan de glijbaan opvangen? Dan valt hij niet zo hard op zijn billen.’ Job knikt. Hij gaat onderaan de glijbaan staan en roept: ‘Kom maar Jelle! Ik vang je wel!’

Job is al groot en is hij is heel erg goed in het helpen van zijn kleine broertje. Maar als Job op de evenwichtsbalk staat kan hij zelf ook wel wat hulp gebruiken. Voorzichtig schuift hij over de balk en denkt: Wat is dit moeilijk! Bijna valt Job eraf. Hij zwaait wild met zijn armen in het rond. Dan staat Jelle naast hem. Jelle pakt de arm van zijn grote broer vast en zegt: ‘Ik help je wel!’ Met de hulp van Jelle loopt Job trots over de balk. ‘‘Ik wilde net een handje komen helpen!’ zegt mama. Maar de broertjes roepen in koor: ‘Dit kunnen we al helemaal alleen!’  Mama lacht: ‘Niet helemaal alleen, maar samen lukt het wel!’


zondag 3 februari 2019

Regen


Job en Jelle kijken door het raam. ‘Het regent niet meer!’ juicht Job. ‘Mogen we nu naar buiten?’ Mama kijkt ook door het raam. Er hangen donkere wolken in de lucht, maar de regen is gestopt. ‘Gaan jullie maar snel buiten spelen voordat het weer gaat regenen,’ antwoordt mama. ‘Maar trek wel jullie laarzen aan!’

Job trekt zijn regenlaarzen aan en rent naar buiten. Mama pakt de laarzen van Jelle, maar Jelle wil geen laarzen aan. ‘Ik wil mijn schoenen aan,’ zegt Jelle. ‘Laarzen zijn stom!’ Mama kijkt naar de laarzen en zegt:  ‘Het zijn juist erg stoere laarzen waarmee je in de plassen kunt stampen. Stop je voet er maar in.’ Jelle schudt zijn hoofd en schopt met zijn voet. Jelle wil echt geen laarzen aan. Mama zucht en pakt Jelle z’n schoenen. ‘Niet door de plassen lopen,’ roept mama nog als Jelle op zijn schoenen naar buiten rent.

Job staat naast een hele grote plas. Zou de plas diep zijn? Job gooit er steentjes in. Jelle pakt een tak en roert door het water. ‘Ik ga door deze diepe plas lopen,’ zegt Job stoer. Heel voorzichtig loopt hij met zijn laarzen door de plas. Stapje voor stapje. ‘Deze plas is helemaal niet diep,’ zegt Job. Dan gaat hij stampend door de plas. Het water spettert omhoog. ‘Plassen stampen is leuk!’ roept Job enthousiast. Dat wil Jelle ook wel. Jelle vergeet dat hij geen laarzen aan heeft en springt midden in de grote plas. Verschrikt kijkt Jelle naar zijn schoenen. Zijn schoenen zijn helemaal nat. Zijn sokken zijn ook helemaal nat. Jelle z’n lip trilt. ‘Ik wil geen natte voeten,’ snikt hij.  ‘Daarom moet je laarzen aan als je in een plas springt,’ zegt Job. Mama tilt de huilende Jelle uit de plas. ‘Wil je dan toch je laarzen aan?’ vraagt mama. Jelle knikt.

Even later springt Jelle weer in de plas, dit keer met zijn laarzen aan. Nu krijgt Jelle geen natte voeten. Hij voelt wel een druppel op zijn neus. En Job voelt druppels op zijn hoofd. ‘Het gaat weer regenen,’ zegt Job. ‘We moeten naar binnen.’ Jammer. Het plassen stampen was net zo leuk. ‘Ik wil niet naar binnen,’ jammert Jelle. Gelukkig heeft mama een idee. Mama haalt de regenjassen van Job en Jelle. Met laarzen en regenjassen aan kunnen de broertjes in de regen spelen. Job trekt zijn regenjas aan. En Jelle? Jelle wil geen regenjas aan. Hij slaat zijn armen om zich heen en schudt zijn hoofd. ‘Een regenjas is stom,’ zegt Jelle boos. ‘Wil je weer nat worden?’ vraagt Job. Jelle schudt zijn hoofd. Dan voelt Jelle een druppel op zijn hoofd. En nog één. En nog één. Nu wordt hij toch nat. ‘Kom dan maar mee naar binnen,’ zegt mama. Dat wil Jelle niet! Hij trekt snel zijn regenjas aan.  
Job en Jelle spelen buiten in de regen. De broertjes springen en dansen in de plassen. Jelle is toch wel blij met zijn stoere laarzen en met zijn mooie regenjas.  


zondag 20 januari 2019

Spook


Job en Jelle liggen in bed. Buiten is het donker. De wind loeit om het huis en de regen klettert tegen de ramen. Job wordt er wakker van. Hij trekt de dekens tot over zijn neus. Over het randje gluurt hij naar het raam.  Zag hij daar iets bewegen? Ja! Nu ziet hij het weer! Een donkere schaduw glijdt over de muur. ‘Een spook!’ gilt Job. Hij springt uit bed en rent zijn kamer uit.

Op de gang hoort hij Jelle huilen. Beneden staat de televisie aan. Papa en mama horen Jelle niet. De wind en de regen maken zoveel lawaai. Job loopt naar de kamer van Jelle. ‘Jelle, wat is er?’ vraagt Job. ‘Ik ben bang!’ huilt Jelle. ‘Mag ik bij jou?’ Job denkt aan het spook, hij kan niet terug naar zijn kamer. ‘Ik kom wel bij jou,’ zegt Job en hij kruipt bij Jelle in zijn bedje. ‘Ik hoor spoken,’ fluistert Jelle. ‘Zitten ze onder mijn bed?’ Job durft niet onder het bed te kijken. ‘Ik weet het niet,’ fluistert Job. Job en Jelle kruipen dicht tegen elkaar aan. Gespannen kijken ze naar de donkere kamer en ze luisteren naar de enge geluiden. Ineens horen ze een deur kraken. ‘Is daar iemand?’ vraagt Job met trillende stem. De slaapkamerdeur gaat langzaam open. Job en Jelle gillen van schrik en duiken weg onder de dekens.

Weggekropen onder de dekens horen de broertje voetstappen dichterbij komen. Dan stoppen de voetstappen naast het bedje. Job en Jelle houden zich muisstil. Maar de dekens worden langzaam weg getrokken. ‘Hebben jullie je verstopt?’ vraagt een bekende stem. ‘Mama!’ roepen de broertjes opgelucht.  Jelle springt in de armen van mama en snikt: ‘We zijn zo bang.’ En Job roept: ‘Er zit een spook in mijn kamer!’ ‘Een spook?’ vraagt mama. ‘Spoken bestaan toch niet!’ Maar Job weet heel zeker dat er een spook in zijn kamer zit. ‘Ik zag een schaduw bij het raam,’ vertelt Job. 

Mama loopt naar de slaapkamer van Job. Jelle is weggedoken in haar armen en Job verschuilt zich achter haar been. Mama doet het licht aan. Er is geen spook in de kamer. ‘Ik denk dat hij achter het gordijn zit,’ fluistert Job. Mama  trekt de gordijnen open. Job schrikt. ‘Daar is de schaduw!’ Mama kijkt naar buiten. Voor het raam staat een grote boom. Door de harde wind zwiepen de takken wild heen en weer. ‘Dat is geen spook,’ zegt mama. ‘Het is de schaduw van de boom. Spoken bestaan echt niet.’ 

Dan moeten Job en Jelle weer gaan slapen. ‘Ben jij nog bang?’ vraagt Jelle. Job schudt zijn hoofd. ‘Mag ik dan bij jou in bed?’ ‘Ben jij dan nog bang, Jelle?’ vraagt mama. Jelle schudt ook zijn hoofd. ‘Maar ik wil wel bij Job slapen.’ Mama lacht: ‘Je bent een spookje.’ En Job roept: ‘Ik wist wel dat er een spook in mijn kamer zat!’  


zondag 6 januari 2019

Snottebel


Job en Jelle slapen nog, maar papa en mama zijn al op snottebellenjacht. Ze staan bij het bed van Job. Papa heeft een zakdoek in zijn hand. Elke keer als Job uitademt komt er een snottebel uit zijn neus. En als hij inademt verdwijnt de bel weer. Dat ziet er grappig uit. Papa wil de snottebel pakken. Hij staat klaar met de zakdoek. ‘Nu!’ roept mama als Job weer uitademt. Job schrikt wakker en draait zijn hoofd met de snottebel om. Papa grijpt mis, het oor van Job zit nu in de zakdoek.

Verbaast kijkt Job op en vraagt: ‘Wat doen jullie?’ ‘Je had een hele grappige snottebel,’ lacht mama. ‘En ik had hem bijna te pakken,’ zegt papa. ‘Ik heb helemaal geen snottebel,’ zegt Job slaperig en veegt met zijn mouw langs zijn neus. Een pluisje komt in zijn neus. Job moet er van niezen. “Ha…ha…ha…tjoe!’  niest Job en een hele grote snottebel schiet uit zijn neus. Papa vangt de snottebel op in de zakdoek. ‘Ja hoor, ik heb hem!’ roept papa. Trots laat hij het groene snot in de zakdoek zien. ‘Oh, ik had toch een snottebel,’ lacht Job.

Dan is het tijd om Jelle uit bed te halen. Jelle snurkt een beetje. ‘De neus van Jelle zit verstopt,’ zegt mama. Job kijkt naar zijn broertje en zegt: ‘Nee hoor, zijn neus zit gewoon in zijn gezicht.’ Mama lacht. ‘Als je neus vol zit met snot dan zit hij verstopt,’ legt mama uit. ‘Daarom snurkt Jelle nu.’ Papa gaat weer op snottebellenjacht. De snottebellen onder de neus van Jelle zijn helemaal aangekoekt.  ‘Ai, dit is een lastige,’ zegt papa. ‘maar ik zal hem krijgen!’  Papa loopt de slaapkamer uit.

Job schudt zijn broertje heen en weer en roept ‘Jelle, wakker worden!’ De oogjes van Jelle gaan open. ‘Papa is op snottebellenjacht,’ waarschuwt Job. Jelle verbergt zijn hoofd snel in zijn kussen. Dan komt papa terug. Hij heeft een warme washand meegenomen. ‘Waar is die vieze neus?’ vraagt papa. ‘Jelle heeft z’n neus nu wel verstopt,’ antwoordt Job. Mama zit naast Jelle en draait hem zachtjes om. ‘Het is even vervelend,’ zegt mama, ‘maar er zitten overal vieze snottebellen. Je neus  moet echt schoon gemaakt worden.’ Papa komt met de warme washand op de neus van Jelle af. Jelle gilt: ‘Nee, niet doen!’ Maar papa heeft zijn neus te pakken. Jelle schudt zijn hoofd. Papa laat niet los. Hij boent net zo lang totdat de neus van Jelle helemaal schoon is. ‘Zo, ik heb alle snottebellen te pakken,’ zegt papa. Tevreden loopt hij de kamer uit.

Jelle vindt snottebellen vegen niet leuk. Verdrietig veegt Jelle met zijn hand over zijn neus. Wat voelt hij daar? Papa heeft toch niet alle snottebellen te pakken! Jelle pulkt in zijn neus. Snel stopt Jelle de achtergebleven snottebel in zijn mond. Snottebellen zijn helemaal niet vies. Snottebellen zijn lekker!